Vroeger was een salade iets met groene blaadjes, iets van tomaat en/of komkommer, een uitje en wat zure dressing. Tenminste, bij ons. Ik vond het niet het hoogtepunt van de maaltijd. Later leerde ik dat er veel verschillende salades bestaan, de zogenaamde midwest-salades zijn wel het raarst: Daarin zitten, naast augurkjes, blokjes gelatinepudding en marshmallows. Nooit geprobeerd, en ik ga er ook niet naar op zoek. In Ottolenghi’s Plenty staat een wortelsalade, die bestaat uit wortels en kruiden, die warm gegeten wordt, dus wat dat een salade maakt is me niet helemaal duidelijk -hoewel het werkelijk heerlijk is-. Wat is precies de definitie van een salade, kun je je afvragen.
Hoe dan ook… Ik schafte mijzelf het laatste boek aan van Alison Roman en maakte daar een salade met bieten, appel en bleekselderij uit. Zoiets moet het zijn, denk ik: Hartig, knapperig en zacht, fris en zoet tegelijk. Fijn kookboek is dat!
Op podcasts, en gewoon in het café waar op vrijdagmiddag de mannen van de bierbrouw-club te vinden zijn (ze drinken over het algemeen Westmalle tripel, overigens) ging het wel eens over Westvleteren. Een Belgisch trappistenbier, uit het gelijknamige klooster. Heel authentiek bier, gebrouwen door monniken en zonder winstoogmerk. De brouwerij heeft als doel het klooster van de nodige middelen te voorzien en niets meer dan dat. Daarom was het ook niet verkrijgbaar in de gewone winkel: een keer per maand gaat de poort open en kunnen de gelukkigen die zich op tijd gemeld hebben -online, dat dan weer wel- per persoon één kratje bier halen. Er was bier van 6, 8 of 12 procent alcohol, vooral de laatste had een mythische status. Het lekkerste bier van de wereld! Natuurlijk hielp de spaarzame distributie mee bij het vestigen van deze reputatie. Je krijgt als romantische ziel meteen visioenen van serieuze, baardige mannen in bruine pijen die in enorme antieke ketels roeren onder het zingen van gregoriaanse liederen. Ik hou wel van een biertje, en was natuurlijk best nieuwsgierig, maar niet nieuwsgierig genoeg om door de benodigde hoepels te springen en naar Westvleteren te rijden.
Ik was dus best verbaasd bij onze plaatselijke slijter een stuk of dertig exemplaren te zien staan. Huh? Ik vroeg hoe hij er aan was gekomen en kreeg geen duidelijk antwoord, maar wel dat het makkelijker verkrijgbaar was dan ik dacht. Dat blijkt, zes euro bij uw buurtslijter. Dus ik kocht een flesje. Niet die van 12 % want dat vind ik wat te heftig, maar een gewoon pilsje. Dat had ik beter niet kunnen doen, want dat was het, gewoon een biertje. Toch een beetje jammer.
In Januari van dit jaar nam ik me voor om elke maand een overhemd te maken. Gewoon, om mezelf een beetje uit te dagen.
Het overhemd van Mei, een mooie groene poplin, was op een mouw na klaar toen Echtgenoot Yep thuis kwam van een weekeindje weg met een nare griep. Die griep escaleerde in een paar dagen naar een zeer ernstige longontsteking. Veroorzaakt door een pneumokokken-infectie, een bacterie* die kennelijk vrij algemeen voorkomt, maar die zelden iemand ziek maakt. Maar áls hij iemand ziek maakt doet hij het goed. Echtgenoot Yep ontsnapte ternauwernood aan de dood. Hij werd 22 dagen in een kunstmatig coma gehouden en kwam daar verzwakt en vermagerd weer uit. Na nog drie weken op intensive care en drie weken op een “gewone” verpleegafdeling mocht hij weer naar huis. Met een stevig medicijnen-regime, met fysiotherapie aan huis, met een hoog-laag bed in de huiskamer, met aanvullende proteïnedrankjes om het spierherstel te bevorderen, met elke dag een iets langer wandelingetje, inmiddels niet meer met een rollator. Het zal nog maanden duren voor hij helemaal hersteld is, maar de vooruitzichten zijn goed en gelukkig, gelukkig is hij nog -of weer- helemaal zichzelf.
Al die weken dat hij in het ziekenhuis was deed ik niets. Nu ja, ik ging natuurlijk elke dag naar het ziekenhuis in Rotterdam. Maar ik breide niet in de trein, ik las geen boek, ik kookte geen eten en ik deed niets -of bijna niets- in de tuin. Zeker vier keer in die tijd ging ik aan de tafel in mijn naaikamer zitten en pakte het groene overhemd erbij. Ik vroeg me af of het zinvol was door te gaan met dit shirt, ik vertelde mezelf dat het natúúrlijk zinvol was, zelfs als dit het laatste was wat ik voor mijn Yep maakte. En daarna dacht ik dat ik dat niet mocht denken. Maar het wilde niet, er kwam niets uit mijn handen. Ik zat wat naar mijn naaimachine te staren en ruimde het maar weer op. Ik keek stomme sitcoms en krabbelde een paar puzzelboekjes vol, er was geen ruimte in mijn hoofd voor meer.
Hoewel een herstellende Echtgenoot in huis heel wat bezigheden mee brengt (eigenlijk alleen maar leuke bezigheden, en veel aanloop en gezelligheid) is het mei-overhemd inmiddels klaar. Er wordt weer brood gebakken, er worden appels geplukt en verwerkt, er worden maaltijden gekookt en samen gegeten, er worden plannen gemaakt en er wordt gelachen. Het leven gaat weer door.
* Een pneumokok is een halve micrometer groot, ongeveer. Er kunnen er tweeduizend op een rijtje in een millimeter zitten.
Op 15 mei is de laatste dag van de ijsheiligen. Na die dag zou het (theoretisch dan toch minstens) niet meer vriezen, dus alles wat geen vorst verdraagt mag daarna naar buiten: bonen, mais, dahlia’s, tomaten en pompoenen.
Indachtig de opwarming van de aarde plantte ik mijn pompoenplanten op 8 mei al buiten uit. Maar de ijsheiligen konden mijn eigenwijsheid niet waarderen. Het ging niet vriezen, dat nog net niet. Maar de temperatuur was wél twee weken lang onder de tien graden, mijn pompoentjes stonden er sneu bij, ze groeiden niet en vergeelden wat. Maar nu is het weer dan toch omgeslagen: Het was vandaag 30 graden in de schaduw. De pompoenplantjes lagen amechtig op de grond… maar ik heb hoop dat het toch goed komt.
Voor mijn gewone boodschappenfiets wilde ik graag een stuurtasje. Niet al te groot, maar ook niet te klein, eentje die makkelijk afneembaar is maar ook niet bij ieder hobbeltje los schiet. Na wat online zoekwerk had ik een aardig beeld, maar ik wilde ze natuurlijk ook van dichtbij bekijken. Het was mooi weer, dus stapte ik op de fiets waar dat tasje aan moest komen en reed naar de Fietsenmakker in Vlissingen.
Ik koos een mooie route, de zon scheen op mijn bol met hier en daar een wit wolkje in het blauw. Meidoorn en fluitenkruid bloeiden volop. Dijkjes, kwikstaarten, lammetjes, torenvalken… Het fietspad bij Vlissingen Oost heeft aan de ene kant uitzicht op onafzienbare rijen glimmende nieuwe auto’s die daar staan te wachten om verder getransporteerd te worden, en aan de andere kant ongelijkvormige weilandjes met meidoornhagen en dijkjes. Ik keek mijn ogen uit. De wind blies niet hard, maar wel de goede kant op en ik had een fijn muziekje op mijn oren.
De tas die ik wilde was voorradig, hij beviel me meteen, de monteur gaf me een kopje koffie terwijl hij hem op mijn fiets monteerde. Daarna stapte ik met fiets en al in de trein terug. En nu ben ik erg gelukkig met mijn nieuwe tasje: elke keer als ik hem gebruik denk ik even terug aan deze fietstocht en word ik wéér een beetje blij. Bij geen enkele verkooptraining wordt aanbevolen je cliënt eerst 32 kilometer te laten fietsen om hem -of haar- oprecht blij te maken met een aankoop, maar voor mij werkt het.
Zo af en toe maak ik op een zondagavond een heleboel haverkoekjes. Ik gebruik een recept van Rutger bakt , maar ik gebruik minder suiker en ik doe steeds een andere vulling er in: Pistachenootjes en cranberry, rozijnen, stukjes gedroogde appel, of walnoten. De koekjes worden niet direct gebakken, ik vorm ze in schijfjes en vries ze in, in stapeltjes van zes met velletjes bakpapier er tussen. En als de oven tóch aan staat om brood te maken, of een ovenschotel, en er zijn geen koekjes meer in de trommel, dan pak ik zo’n stapeltje uit de vriezer. Ze worden op een bakplaatje, ieder op hun eigen velletje papier in de oven gezet en hebben maar 12 minuten nodig.
Het zijn best stevige koekjes, dus geen dingetje voor bij de thee, maar een prima tussendoortje of om mee te nemen op een wandeling of fietstocht.
Gisterochtend vroeg, op de tuin, raakte ik mijn fietssleutel kwijt. Waarschijnlijk uit mijn jaszak gevallen, die inderdaad wel wat wijd en ondiep is. Ik neem aan dat de sleutel ergens in het gras ligt te wachten tot hij de grasmaaier kan beschadigen. Ergernis natuurlijk, want ik moest naar mijn werk en ik ben nog nóóit te laat geweest. Toch liep ik nog twee keer het pad heen en weer. Er zat een opvallend gekleurd lintje aan de sleutel geknoopt om hem makkelijker vindbaar te maken. Vooral makkelijker vindbaar in mijn tas, want in het gras valt enigzins verbleekt roze-groen-geel niet op. Ik zette de fiets veilig weg achter het huisje en zette het op een lopen. Gelukkig kwam Echtgenoot Yep me ongeveer halverwege tegemoet met de auto en werd de schade beperkt tot 5 minuten.
Er was dus een reservesleutel nodig. En ik wist dat we -zoals in ieder goed georganiseerd huishouden- ergens een doos vol sleutels hebben. Daarin zitten sleutels van alle fietsen die wij allebei sinds mensenheugenis hebben gehad, naast nog een stuk of twaalf waarvan niemand weet hoe ze hier in huis zijn verschenen. Én, hopelijk, de reservesleutel van mijn Koga. Ik stelde me voor dat ik een zaterdagmiddag met die hele doos naar de tuin zou gaan om ze één voor één te proberen, als het glazen muiltje van Assepoester.
Maar ik blijk in 2022, toen ik deze fiets kocht, het briljante idee te hebben gehad om hetzelfde lintje ook aan de reservesleutel te knopen. En daarom een bedankje aan mijn vroegere zelf. Dat was toen een kleine moeite en scheelt me nu uren.
Bij het kweken van erwtjes -vooral bij de erwtjes- nemen we veel maatregelen om ze zelf te kunnen opeten, want werkelijk alles dat op het tuincomplex leeft is er dol op. Om te beginnen moeten de muizen bij het zaaigoed weg gehouden worden. Dat doe ik door te zaaien in dakgoten, die ik in stukken van ongeveer een meter heb gezaagd. Ik plak een stuk ducttape over de uiteinden, daarbij laat ik onderaan een opening voor afwatering vrij. Compost en tuinaarde er in en elke 5 centimeter een erwtje.
Deze dakgoten staan dan enkele weken op een tafel. Tot nu toe zijn de muizen nog niet tot bovenop die tafel gevorderd. Vogels houden ook van erwtjes en kunnen ze heel goed vinden in het dakgoot-systeem, dus over de tafel staat een soort van tentje van fijnmazig kippengaas. Als de erwten uitgroeien tot plantjes vervlechten hun worteltjes in de dakgoot. Ondertussen maak ik elders in de tuin een paar hekken van rekken en paaltjes, waar de erwtenplanten in gaan klimmen. Als de plantjes groot genoeg zijn (dan hebben de muizen geen interesse meer) graaf ik een geultje onder zo’n hek, haal het tape van een uiteinde van een dakgoot af en schuif de hele rij plantjes er in één beweging uit, in de geul, op zijn plaats. Om de vogels, de hazen en de reeën bij de erwtjes weg te houden overspan ik de hele zaak, hekken en plantjes en al, met een net. Dan blijft er nog één diersoort over die zich niets van mijn netten aantrekt, mijn plantjes graag lust, en die in het verleden ook weleens allemaal heeft opgegeten: Slakken. Maar dank zij een briljante tip van een mede-Velt lid blijven die er nu ook af.
Rondom mijn planten leg ik strengen schapenwol. Gewoon, ongewassen, zo van het schaap. Daar kunnen slakken, zo blijkt, niet overheen. Ook rondom allerlei andere planten in de tuin ligt zo’n wollig heksenkringetje. En het lijkt écht te werken!
Wist u dat een ree met gemak over een hek van anderhalve meter hoog springt? Echt waar. Het schapenhekje langs onze tuin is 80 centimeter, daar schaterlachen de reeën om. Met volle mond, van onze bietenloof en appelbloesem.
Samen met Kleindochter K. zorgde ik dat het hek een stuk hoger lijkt. Met boompaaltjes, bamboestokken en touw. En om te voorkomen dat een ree het touw niet ziet of er tóch overheen wil springen en verstrikt raakt knoopten we er wapperende lintjes aan. De lintjes zijn allemaal afknipsels van overhemden die ik maakte, zo komen die kleine reepjes goed van pas.
Morgen staat er een barbecue op de planning. Mijn bijdrage is een stukje vis, een stokbrood en verse kruidenboter.
Ik plukte bieslook, daslook, en fluitekruid1. Alles grondig gewassen, gedroogd en fijngehakt en met een beetje zout door een half pakje boter gemengd. Daar kan geen supermarktkuipje tegenop.
Fluitekruid, het jonge blad ervan, smaakt prettig groen, een beetje peterselie-achtig. Elke wildpluk-gids waarschuwt dat je het niet moet verwarren met gevlekte waterscheerling, want die lijkt er wel wat op en die is giftig. Érg giftig kennelijk, in een aflevering van Midsomer Murders neemt iemand één hapje van een pan soep waarin wat gevlekte waterscheerling is verwerkt, grijpt naar haar keel en valt ter plekke dood neer. Dat is wellicht wat overdreven, maar het is natuurlijk verstandig om goed te kijken of de stengel van je wildpluk-fluitekruid gevlekt is. ↩︎