De complete spinazie-oogst

Spinazie is een gewas dat in onze volkstuin niet best wil. We hebben nogal arme, zanderige grond en spinazie houdt nu juist van nitraatrijke, dik bemeste aarde. Elk jaar proberen we het wel een keer: we voegen gedroogde koemestkorrels toe, of mest van onze eigen kippen en de spinaziezaadjes komen voortvarend op. Maar ergens gaat het altijd mis: voor het malse blaadjes zijn stopt het met groeien. Dit jaar zaaide ik in het najaar twee rijtjes van ongeveer een meter lang op het veld waar ik eerder dit jaar een ongeloofwaardige hoeveelheid enorm grote aardappelen oogstte. Dat stukje grond was enkele tientallen jaren niet bebouwd geweest, dat zal het geheim van de superoogst zijn geweest. Ik hoopte dat de magie nog niet helemaal was uitgewerkt, dat het ook nog zou werken voor spinazie.

En dat klopte. Er kwam een kleine kilo van mijn twee rijtjes af. Eindelijk! Maar ja, spinazie… na het wegwassen van alle modder die er op zat bleef er een pond over. Na het roerbakken was er precies genoeg voor dit kleine taartje: vier happen per persoon. Dat smaakte werkelijk heerlijk!

Vier films en een tv-serie

Als ik naar de film ga neem ik een breiwerk mee, maar niet iets moeilijks.

Deze sjaal was erg geschikt voor de bioscoop: recht gebreid met elke tweede naald één steek minderen aan de ene kant en twee meerderen aan de andere. Dat maakt een interessant model van een langgerekte driehoek, en je kunt dóórbreien tot het garen op is. Erg geschikt voor een van mijn vele bollen sokkengaren dus! Ik koos een bijna effen blauwe en breide tijdens A Star is Born en tijdens Wad, ik zag Van verlies kun je niet betalen en een documentaire over Maria Callas. Thuis keek ik naar De Kijk van Koolhoven, wat ik film genoeg vond voor de filmsjaal, en toen was het garen op ook. Maar ik vond ik de sjaal nog wat te klein, dus zocht ik er een restje wit sokkengaren bij en maakte er -bij daglicht- een kantrand langs.

Toen leek het er meer op. Eergisteren blockte ik de sjaal. Dat is toch een beetje toveren, je begint met iets dat het meest op een pak noedels lijkt en eindigt met een glorieuze kanten rand.

Waarna je een heel bruikbaar accessoire hebt.

 

Lekker oefenen

Begin december zijn we uitgenodigd voor een etentje. De gastvrouw is een prima kok, want voor acht mensen een meergangendiner bereiden -zoals ze al vaker deed- is echt een hele klus! Een mooi cadeautje is dus op zijn plaats, maar wat nemen we voor haar mee in zo’n geval? Mooie bloemen of een fles goede wijn? Bonbons?  Ik heb een alternatief plan, ik maak gebruik van de gelegenheid om weer eens een echt mooi taartje te maken, als dessert voor het diner. Daarmee kan ik me weer eens fijn uitleven; ik vind het zo leuk om te doen! Ik maak niet vaak taart, want als je een taart bakt moet ie ook worden opgegeten en dat is gewoon teveel voor Echtgenoot Yep en mij. Win-win-win situatie dus! Ik mag heerlijk patisserietje spelen, ik heb een mooi cadeautje voor de gastvrouw en de anderen zullen  -hopelijk met genoegen- helpen met de verwerking van de calorieën.

Ik maakte dit kleine exemplaar om te oefenen. Met de rode glimmende toplaag (gemaakt van gesmolten bessengelei, met een scheutje rode port) maar vooral met de chocoladegarnering. Het oefentaartje zelf is een halve  monchou taart uit een doos, daar wilde ik niet teveel werk aan besteden. De chocolade smolt ik en deed ik in een spuitzakje, waarmee ik zigzaglijnen over elkaar maakte op een strook acetaatfolie. Toen dat wat was afgekoeld plakte ik de strook rondom mijn taartje en zette het hele spul in de koelkast. Na een uurtje kon het folie worden verwijderd en bleef er een kant-achtig chocoladerandje over. Ik rolde ook een stukje folie op tot een hoorntje voor de garnering. Dat ga ik met de uiteindelijke versie ook doen, het ziet er geweldig uit. Geslaagd experiment! En nu moet het proeftaartje natuurlijk op. Echtgenoot Yep at al taart als ontbijt, mijn collega ontfermt zich over een stukje. Ikzelf at een hapje van het middengedeelte, ik houd niet zo van chocolade. Ik heb tijdens mijn baantjes als jeugdige vakantiewerker bij de Droste fabriek in de jaren ’70 genoeg chocolade gegeten voor de rest van mijn leven. In de ketel gevallen, zeg maar… Met neiging tot het bijpassende figuur, helaas.

B*gger!

Uit Parijs nam ik ook nog een wit overhemdstofje mee. Het was het duurste lapje van de hele winkeltrip, maar oh, wat is het een mooi materiaal. Het is op de keper geweven, van een héél fijne draad. Daardoor is het volkomen ondoorzichtig, maar glad en zo dun en licht als elfenvleugeltjes, met een zachte glans. Ik kocht er speciaal garen bij om het door te stikken, een soort borduurgaren dat ook zo’n glans heeft.

Het bleek niet bepaald een makkelijk stofje. Het rafelde alsof het zijn bestaan als weefsel zo snel mogelijk weer ongedaan wilde maken en het wilde op geen enkele manier met me meewerken. Ik maakte er een rechte vouw in en perste die met de strijkbout en een vochtige doek in de stof. Dan pakte ik het werkstuk van de strijkplank en bleek mijn rechte vouw een golvende te zijn. Ik neem aan dat de keperbinding dat probleem veroorzaakt, dat moet ik eens met een deskundige bespreken. De kraag maken was een werk van zeer lange adem, ik was uiteindelijk blij dat ik wat ruim heb ingekocht want er zijn vier versies van de kraag gemaakt voor ik tevreden was. Na veel geworstel en gebruik van taal die een dame onwaardig is had ik dan toch een werkelijk prachtig overhemd gemaakt. Ik waste het nog even liefdevol en streek het zéér zorgvuldig voor ik het met tromgeroffel en gepaste trots aan de Echtgenoot overhandigde.

En pas toen bleek…. dat ik de knopen en knoopsgaten aan de verkeerde kant heb gezet. (Denk hier nog een rijtje onbeschaafde krachttermen) (en nog een paar) (met uitroeptekens). Yep lacht me op deze foto vrolijk toe* en verklaarde zich zelfs bereid het shirt op deze manier te gaan dragen. (Hij is een héél goede Echtgenoot, dat blijkt maar weer). Dat kan natuurlijk niet, dat staat mijn beroepstrots niet toe. Maar het shirt moet eerst een maandje in de kast. Ik weet niet of het veilig is als ik ermee alleen gelaten wordt.

*of zou hij me stiekem tóch uitlachen?

Een logé, een opruimactie en een record

Vorige week kwam Kleindochter K. voor het eerst een nachtje logeren.

Dat was erg gezellig! Het was fijn dat ze haar loopfietsje ook mee had. Ze ontwikkelt hoge snelheden ermee door met twee beentjes tegelijk af te zetten. We gingen naar de speeltuin op de hoek, we stopten walnoten in een grote vaas, we lazen boekjes en aten wokkeltjespasta. Zondag kwamen haar moeder en vader haar weer halen. Ze mag nog wel eens komen logeren, vonden we.

In de volkstuin heeft, net als in de rest van het land, de buxusmot toegeslagen. We hebben hadden twee haagjes van vier struikjes aan weerszijden van de composthoop. Daarvan heb ik vandaag de overblijfselen verwijderd. Eigenlijk niet zo erg, ik vind ze -ook zonder buxusmot- niet zo mooi.  Als je er geen Versailles-tuin bij hebt is een buxushaagje gewoon wat saai.

Er was ook blad te harken. Ik heb het allemaal naar één veldje gebracht, in de hoop dat de wat arme grond daar door het verteren van al dat blad wat humeuzer wordt. Het was zonnig najaarsweer, maar wel te fris om een uurtje te zitten. En zo krijg je heel productieve tuindagen.

Afgelopen maand passeerde ik nog een klein mijlpaaltje: voor het eerst sinds dit blog bestaat, bijna acht jaar, waren er meer dan 10000 bezoekers in één maand. Wat een hoop! Natuurlijk is dat inclusief een aantal commentspammers en dergelijke, er weten er elke dag wel een paar langs mijn beveiliging te komen. Maar toch. Tienduizend!  Ik schrijf het blog niet met het doel er beroemd mee te worden of zo, dan ging ik wel likes verzamelen op sociale media. Ik vind het erg leuk dat zoveel mensen het kennelijk met genoegen lezen. Dank jullie wel!

 

‘t Is weer voorbij…

… die mooie zomer. Het is eind oktober en nu pas daalt de temperatuur. De pompoenen zijn uit de tuin, twee aten we er zelfs al op. De winteruien en knoflook zijn geplant en afgelopen zondag maakte ik de kas leeg.

Nu ja, bijna leeg.

Ik plukte alle tomaten, rijp en groen, en verwijderde de planten. Ook de peper- en komkommerplanten gingen naar de groenbak. Nu is er alleen nog een rijtje paprika’s over. De grond in de kas moet een paar dagen “gespoeld” dat wil zeggen elke dag zes grote gieters water voor we er een groenbemestermix op kunnen zaaien voor de winter. De rijpe tomaten gingen mee naar huis, de groene liet ik liggen in de kas, in de hoop dat wat nagekomen zon ze nog doet rijpen.

Dat lijkt te lukken, toen Echtgenoot Yep er gisteravond even heen was om te gieten stuurde hij me deze wat duistere foto waarin warempel niet meer alles groen is. Al met al hebben we van twee planten (Bartelli) een imposante hoeveelheid kerstomaten kunnen plukken, de andere waren wat minder productief. Een kerstomaat die afkomstig was uit de Albert Heijn moestuintjes-actie heeft ook erg zijn best gedaan.

 

Net zoiets als fietsen

In 2008 gaf ik mezelf een workshop spinnen cadeau, om het behalen van mijn modevakschool-diploma te vieren. Echtgenoot Yep gaf me dat jaar voor mijn verjaardag een prachtig spinnewieltje en ik had er een paar topdagen mee bij Jacey Boggs. Ik leerde van haar effectgarens te maken, met sliertjes en bobbels en met verschillende materialen door elkaar gebruikt. Eenmaal thuis spon ik in één lange sessie een grote bol lontwol tot dik-dun garen.

Dat was erg leuk om te doen. Ook omdat ik het materiaal zo mooi vond (en vind), het is merinowol, in allerlei blauwen geverfd. Ik wond het op strengen en keek er verliefd naar. Maar ja. Het is ongetwijnd garen, niet prettig om mee te breien en door het dik-dun zal het beslist erg pluizen, het is niet of nauwelijks wasbaar… Het garen leek voorbestemd om levenslang te krijgen in de voorraadbox onder mijn bed, waar het motvrij en veilig lag terwijl het spinnewiel ook weinig meer te doen kreeg. De volkstuin, de kledingmakerij, allerlei andere leuke dingen drongen zich op de voorgrond.

Een jaar of wat later schafte ik, verblind door de mooie kleur een bol kobaltblauwe Lana Grossa Olympia aan. Waar was mijn verstand die dag? Olympia is pluizige wol, zo dik dat het op pennen 12 gebreid moet worden en het is ook al ongetwijnd. Alleen die kleur…zo mooi! De Olympia verdween ook in de kerker-onder-het-bed. Ik kwam het vorige week tegen toen ik er iets anders wilde verbergen.  Het lijkt warempel wel lontwol, dacht ik nog. Wacht even… het lijkt inderdaad lontwol, maar dan iets teveel gedraaid. Het spinnewieltje werd afgestoft en opgetuigd, ik bleek het nog best te kunnen, spinnen verleer je niet. Ik spon een heel stuk van de Olympia achteruit, zodat de twist er uit ging en het inderdaad dunne lontwol was. Daarna spon ik er een regelmatige, dunne draad van. Die twijnde ik met mijn -na tien jaar ook weer bevrijde- dik-en-dunne merino.

Tadaaaa! Dat werkt prachtig. Wat een mooi garen is het zo. Doordat het getwijnd is heeft het balans, de Lana Grossa is gedeeltelijk plastic (ik weet niet eens wat voor plastic, maar het zal ongetwijfeld een acrylvariant zijn) en dat brengt wat stevigheid.

Ik breide er een klein proeflapje van om te zien of ik er ideeën van kreeg, want ik heb geen idee wat met dit garen te maken.  Ik moet bekennen, ik weet het nog steeds niet. Het blijft natuurlijk onpraktisch materiaal, niet goed wasbaar en het zal nog steeds behoorlijk pluizen. Het is een lastig vraagstuk, of ik uren en uren ga besteden aan het spinnen van garen waar ik waarschijnlijk nooit wat bruikbaars van maak. Of misschien kan ik het garen als het eindproduct beschouwen. Moeilijk. In de ene hoek de calvinist, in de andere hoek de artiest, klaar voor de zoveelste ronde.

Een overhemd voor Yep

Toen ik een jaar of wat geleden een goed passend, oud overhemd van Echtgenoot Yep uit elkaar haalde en de patroondelen overnam vond ik een goed herenoverhemd maken echt een ding. Maar oefening baart kunst, inmiddels vind ik eigenlijk dat hij alleen maar door mij gemaakte overhemden zou moeten dragen. Dat gaat niet lukken vrees ik, iets met tijd en hoe ik dat besteed… Nu ja.

Dus maak ik af en toe een overhemd als een soort van tussendoortje. Niet omdat ik het makkelijk vind -hoewel ik het een stuk beter kan dan toen ik die eerste maakte- want de kraag blijft een moeilijk geval. En alle stiksels moeten natuurlijk precies evenwijdig. Het fijne van overhemden naaien is dat het zo prettig hetzelfde is. Hoewel, nooit helemaal hetzelfde, in deze uitvoering maakte ik de binnenkant van de kraag en de manchet van een contrasterend stofje.

En ik maakte een tweekleurig mouwsplit-beleg, dat pakte prima uit. De stof, een dichtgeweven poplin met een mooie zachte glans, kocht ik een paar weken geleden in Parijs. Het kreukt wat makkelijk maar de kleur is prachtig, hoewel bij lamplicht moeilijk te fotograferen.

Ik borduurde deze keer geen initialen maar zijn alias op de binnenkant van de schouderpas. Het shirt staat hem prima, en hij heeft nog niet gezien dat het rechter voorpand een halve centimeter langer is dan het linker (oeps…). Maar wat wél hetzelfde is: zijn maat. Ik gebruik nog steeds hetzelfde patroon.

Uitstapje

Om het eeuwfeest van onze volkstuinvereniging te vieren gingen we met een bus vol mensen naar de tuinbeurs op het park van Beervelde.  We hadden mooi weer, en er was véél te zien! Hoewel ik me had voorgenomen een beetje voorzichtig te doen met aankopen is dat niet best gelukt.

We kochten een blauwe bessenstruik, die inmiddels al een plekje in de tuin heeft. Een zuur plekje, want de verkoper, enkele van onze medetuinders en verder iedereen die ons met de struik zag lopen zei “denk er om, hij moet op zure grond!”  Yep haalde vier grote zakken tuinturf om het plantgat mee te vullen. En nu maar hopen op een mooie oogst.

We kochten ook wat daslook-knolletjes om te laten verwilderen onder onze grote wilgenboom. Ik hou van daslook omdat het zo lekker is en vroeg in het jaar, vóór de uitjes en bieslook, al geoogst kan worden. Ook hebben we een zak vol krokusbolletjes voor tussen het gras, goed voor het voorjaarsgevoel. We namen alliumbollen en drie kleurige dahlia’s mee, tot nu toe had ik alleen witte.

Er was een zaadhandel die voor het inrichten van de stand iemand met talent had ingehuurd, (zie rechts) maar de koopwaar was ook bijzonder. Allerlei exotische zaden maar ook geweldig veel keuze in -bijvoorbeeld- zonnebloemen. We schaften er zwart/bruine boontjes en edamame aan. En teff en quinoa en ossenhart-tomaten.

 

Over exotisch gesproken: Echtgenoot Yep viel voor een heel jong jacarandaboompje, ik ben benieuwd of we die wijs kunnen maken dat hij hier thuis hoort.

 

Niet alles wat we meenamen was tuinspul, er was ook een kraam met gerookte knoflook. Daar heb ik geen weerstand tegen. Echtgenoot Yep gaf me prachtige oorbellen. Eenmaal weer terug in Goes was er een feestelijke avond met barbecue en gezang, wat was dat een gezellige dag.

Bubbels

Als je je voorneemt om minder plastic te gebruiken kom je soms tot merkwaardige conclusies. Neem nu deze:

Douchegel en shampoo in plastic flessen willen we niet. Dus was ik mijn haar (naar grote tevredenheid) met een shampooblok en de rest van mij met een ouderwets stuk zeep. Zo’n stukje zeep wordt in gebruik kleiner en uiteindelijk lastig te hanteren. Ik had vier “restjes” van stukjes zeep en besloot daar weer vloeibare zeep van te maken, volgens het principe waarmee ik ook wasmiddel maak. Ik vond een recept voor een verhouding van 50 gram geraspte zeep en anderhalve liter kokend water. Mijn restjes waren samen 60 gram, dus ik kookte 100 ml water meer. Het ging prima, het rook heerlijk in de keuken, maar toen het een dag later was afgekoeld had ik een stuk zeep zo groot als mijn pan… niks vloeibaar! Ik voegde nog eens 400 CC kokend water toe en roerde. Het liet zich niet goed mengen, dus zette ik de staafmixer er in. Daar vergat ik een cruciale eigenschap van zeep: het schuimt! Niet te weinig! Maar na enige tijd wachten waren de meeste belletjes geknapt. Missie geslaagd, twee hele liters prima vloeibare zeep.

En pas toen bedacht ik hoe raar het is, dat 60 gram zeep voor twee (!) liter vloeibare zeep zorgt. Geen wonder dat de zeepfabrikanten geld over hadden om televisieseries te sponsoren! Je maakt zeep, je mengt het met water, het wordt 30 keer meer, je verpakt het in een plastic fles met een drupje geur en wat beauty-beloftes erbij waardoor het nog weer kostbaarder lijkt, die verkoop je voor vier keer zoveel als het oorspronkelijke stukje zeep… Kassa!