Een spelletje Jenga

Op de volkstuin staan vier knotwilgen. Die moeten regelmatig geknot om recht op die naam te hebben. Dit jaar waren er twee aan de beurt die -nogal precair- in de houtril tussen de sloot en de kas staan.

Hier zie je Echtgenoot Yep doende met nog enkele grote takken te gaan. Aan de voet van de trap ligt de stapel takken die er al af zijn gehaald. Inmiddels hebben de twee wilgen een kale kruin, op één kleinere tak na. Het schijnt dat wilgen soms overlijden als er helemaal geen tak meer is om de sapstroom in gang te houden. Het ziet er grappig uit, een dikke stam met één sprietig takje er bovenop. Na het knotten moeten de takken die er af zijn gehaald verwerkt. We knippen de dunste twijgjes er af en nog iets kleiner, dat wordt strooisel voor het verstevigen van het achterste puntje van de tuin, dat tussen twee sloten gelegen is en soms wat moerassig. De langere takken worden deels gebruikt voor de houtwal, deels worden ze apart gehouden om een hek mee te vlechten. Maar de dikke takken worden allemaal in stukken van ongeveer een meter gezaagd en zo doorluchtig mogelijk in het houthok opgestapeld.

Daar liggen ze een jaar of twee te drogen, waarna ze in vieren worden gezaagd om in onze en K:)dootjes kachel te passen. Een pittig klusje (want alles gewoon met een handzaag gezaagd) maar wél iets dat veel voldoening geeft. En warmte, dat ook.

Naar de stad

Een prettige bijkomstigheid van 60-plusser zijn is dat je zogenaamde keuzedagen kunt aanschaffen bij de NS. Dat kan alleen in combinatie met een kortingkaart, die ik toevallig al had. Zeven keer per jaar kun je zo’n dag inzetten. Het maakt niet uit hoe ver je reist, je mag de hele dag in de trein, als je maar buiten de spits reist. Met een van die keuzedagen vervulde ik een lang gekoesterde wens: Ik ging naar Tilburg, naar Textielstad. Een stoffenwinkel waar ik al een paar keer online iets kocht, maar die -aan de website te zien- zo’n grote collectie heeft dat ik het graag eens van dichterbij wilde bekijken.

Dat viel niet tegen! Het is geen lief stoffenwinkeltje in het stadscentrum (óók leuk, maar helaas een uitstervend verschijnsel) maar een grote hal op een bedrijventerrein waarin een heel effectief midden is gevonden tussen een magazijn-achtige webshop en een inspirerende lapjeswinkel.

Ik kocht spullen -allemaal blauw, maar dat is toeval- om me een maandje of twee bezig te houden en keek uitgebreid rond, voor als ik in de toekomst weer wat wil bestellen. Nog een lunch bij het museumcafé van het textielmuseum, heel passend, en na een rondje fietsen op de stationsfiets weer in de trein naar Goes. Leuke dag, leuke winkel!

Brood

Een brood of vier, vijf bakte ik met mijn zuurdesemstarter. De smaak was prima, maar het waren wel wat compacte broden. Ik gebruikte een gietijzeren braadpan als vorm, want in een gewone huishoud-oven als de mijne is het erg lastig de luchtvochtigheid op peil te houden. Brood moet eerst in een vrij vochtige omgeving worden gebakken, en pas als het helemaal is uitgerezen komt het bruine korstje er op, daarvoor moet het juist weer droog zijn. In een afgesloten pot is dat beter te organiseren.

Echtgenoot Yep verklaarde me voortijdig jarig en gaf me een aardewerken broodvorm kado. Ik bakte er een brood in en kijk nou eens! Het brood rees zelfs zoveel dat er barsten in kwamen. De smaak is prima, de structuur is goed. Er zijn een paar verbeterpuntjes, maar ik ben dan ook nog maar kort aan het bakken.

Yep maakte de foto’s. Mooi he?

Muizenvoer

Ieder jaar het eerste dat gezaaid wordt in de tuin: tuinbonen. Ze kunnen behoorlijk wat kou hebben, daarnaast is het prettig als je de bonen kunt oogsten vóór de bonenluis ze te pakken neemt. Tot dit jaar zaaide ik ze altijd omstreeks half februari, maar collega-tuinders hadden dan vaak al behoorlijke plantjes. Dus plaatste ik half januari al een rij potten op het schap in de kas, vulde die met zaaigrond en deed in ieder twee bonen. Als ik ze buiten zaai moet er een emmertje-zonder-bodem half ingegraven om iedere boon én kippengaas daar weer overheen, want de muizen houden net zoveel van tuinbonen eten als ik. Maar in een potje, op het schap in de kas, daar komen geen muizen.

Dacht ik. Nu ja, ze hebben groot gelijk, het zijn ook heerlijke bonen. Maar ik wil ze toch echt graag zelf eten. Vorige week troffen we op beelden van onze wildcamera een beestje dat vlug langs hupste in het donker, deskundigen werden het er uiteindelijk over eens dat het (hoogstwaarschijnlijk) een boommarter is. En die eet muizen. Go boommarter!

Nog meer warmte

Er ligt een pak sneeuw. Het was al aan het smelten en het was geen slecht weer, we waren allebei vrij vandaag dus we gingen naar de tuin. In de tuin werken bij koud weer is geen probleem, deze tijd van het jaar zijn er veel klussen waar je het vanzelf wel warm van krijgt. Wilgen knotten, brandhout zagen, (we hebben geen kettingzaag of zo, we doen het allemaal met de hand) blad harken, compost kruien. Het is zaak een muts en goede handschoenen te dragen. Het enige probleem was -tot vandaag- dat ik altijd koude voeten krijg in mijn groene rubberen regenlaarzen. Zelfs met twee paar sokken over elkaar heb ik na een uurtje of twee geen gevoel meer in mijn tenen en ben ik door en door koud.

Echtgenoot Yep overtuigde me om nu eens gewoon echt goede warme werklaarzen te kopen. Dat deed ik, en de hele middag, rondstampend in de sneeuw, had ik het niet koud en had ik warme voeten. Wát een goede aankoop! En ik vind ze nog leuk ook.

Warme thee

Het idee kwam van K:)dootje die een voedseldroger aanschafte en daar allerlei experimenten mee deed: Gemberthee. Natuurlijk had ik al een paar keer munt gedroogd om thee mee te maken, dat kwam dan vooral voort uit plotseling veel munt na een snoeibeurt van de plant in de tuin. Maar veel verder had ik niet nagedacht over deze mogelijkheid. Raar eigenlijk! Ik was wel blij met K:)dootjes frisse blik.

Gemberthee zoals je het in de horeca krijgt bestaat uit een beker heet water met wat plakjes verse gemberwortel. Ik vind het lekker, maar wel wat tam. De plakjes gember geven natuurlijk alleen wat smaak af aan het snijvlak, het is een nogal compacte wortel.

Meer snijvlak, dus! Ik schaafde een stuk verse gemberwortel in heel dunne plakjes en droogde die tot ze knisperig waren. En dat was andere koek. Eeh, thee. Niks tam gemberwatertje, maar heerlijke verwarmende thee, in meerdere betekenissen van het woord. En daarbij: met het stuk wortel dat ik droogde zou ik op de horecamanier misschien drie koppen thee kunnen maken. De stand staat nu op zes, en op de foto zie je de rest: genoeg gemberkrullen voor nog minstens zes keer thee.

Wat je ver haalt

In een boek van Nancy Birtwhistle vond ik een recept voor iets dat zij “lining paste” noemt. (Ik zou dat vertalen met bakvormpasta.) Het is een mengseltje dat je met een kwastje aanbrengt in een bakvorm in plaats van boter of spray of bakpapier. Wat je daarna in die vorm bakt komt probleemloos en mooi bruingebakken los. Vooral bij tulbandvormen is zoiets héél prettig. Wat een goed idee, dat wilde ik maken! Voor mezelf, maar ook als cadeautje voor een paar mede-bakkers. Eén van de ingredienten is “shortening”, iets dat wij hier in Nederland niet kennen, het is een soort margarine. Een goed voorbeeld van shortening, zo leerde ik, is Crisco.

Dat had ik wel eens op de buitenland-afdeling van de Jumbo gezien, tussen de reeses peanutbuttercups en de marshmellow-boterhampasta. Maar toen ik naar de supermarkt ging vond ik het daar niet meer. Ik zocht nog in twee of drie andere winkels, maar helaas. Toen K:)dootje en haar meneer naar Engeland gingen vroeg ik hen om voor mij uit te kijken of het daar te koop was, maar ze hadden geen succes. Ik maakte bij wijze van experiment bakvormpasta met ghee, dat werkte wel goed maar ik vond ‘t niet heel lekker ruiken.

Enkele weken geleden liep ik rond in de toko, 50 meter vanaf mijn werk gelegen, en ziedaar! stond er gewoon een stapel van. Nouja! Overal gezocht en het was zo ongeveer bij de buren te vinden! Ik kocht een blik, maakte er bakvormpasta mee, deed het in decoratieve potjes en deelde uit. Het werkt echt prima, alle taarten, koekjes en cake komen onbeschadigd en smakelijk gekleurd uit de bakvorm.

Maar, nu komt de maar, pas daarna ontdekte ik dat Crisco helemaal niet zulk prettig materiaal is. Het is geruime tijd van de markt geweest omdat het kunstmatige transvetten bevatte. Nu niet meer, maar in zijn geheel is het een nogal onnatuurlijk product en kennelijk wordt het ook voor heel andere toepassingen dan eten gebruikt. Het is jarenlang houdbaar, dat vind ik op zich al wat verdacht. Bakvormpasta blijft een heel goed idee, maar ik zoek nog even door naar een goed, wat gezonder en duurzamer alternatief voor deze shortening. Ideeën zijn welkom!

Zomerpluk, winterdrankje

Vlak bij de camping waar wij de laatste week van onze vakantie doorbrachten was een sleedoornhaag.

Stampvol rijpe bessen. Ik weet dat er jam en siroop van te maken zijn, zo uit het vuistje zijn ze niet zo lekker, zelfs ongezond. Maar ik plukte er toch een zak vol van want ik had er andere plannen mee: Ik hoor al jaren mensen in Engelse podcasts vertellen dat ze er “sloe gin” mee maken. Dat wilde ik ook eens proberen. Men plukke een kilootje sleedoornbessen, begin september. Deze worden gewassen, ze gaan een nachtje -of twee- in de vriezer, en daarna in een grote pot of fles met een liter gin. Daarna mag Vadertje Tijd zijn wonderen verrichten, eigenlijk hoef je alleen maar zo af en toe even te schudden. Tegen de kerst is het klaar. Vandaag zeefde ik de bessen er uit, en filterde de prachtig rode gin, terwijl mijn keuken rook als een speakeasy ten tijde van de drooglegging. Daarna bereidde ik mijzelf en Echtgenoot Yep een gin-tonic ermee.

Jammer dat de prachtige kerst-rode kleur niet op de foto wil, maar nog jammerder dat je dit niet even proeven kan. Ik ben niet zo’n drinker, maar ik denk dat het goed is dat sloe gin niet overal verkrijgbaar is… dan zou ik zomaar wél een drinker kunnen worden.

Later toegevoegd: Het blijkt wél verkrijgbaar… zo zie je maar weer hoe vaak ik bij de slijter kom. Maar iedereen die ik mijn product liet proeven zei het zelfde: Dat is gevaarlijk spul. Dus één zelfgemaakte fles per jaar is beslist genoeg.

Lichtjes

In onze huiskamer branden een stuk of tien kaarsjes. Als het donker is en wij thuis zijn tenminste. Waxinelichtjes in een aluminium cupje en dat weer in een gezellig gekleurd glaasje. In de cupjes blijft altijd een randje kaarsvet over, dat ik er uit peuter en bewaar.

De lege cupjes weet ik niets anders mee te doen dan weggooien. Aluminium kost een hoop om te produceren, en met een stuk of 20 kaarsjes per week maak ik toch behoorlijk wat afval. Hoewel ze in de PMD bak mogen is het toch nogal overbodig… dat moet anders kunnen.

Bij leven zonder afval verkoopt men die cupjes van staal, een steviger en houdbaarder materiaal. Ook zijn er “blote” waxinelichtjes te koop1, daarmee kunnen we het zonder aluminium. Een kleine investering, maar beduidend minder afval in de loop van de tijd.

Om te beginnen kocht ik ook nog wat passende lontjes en maakte van mijn restjes kaarsvet weer nieuwe waxinelichtjes. Terwijl ik stond te wachten tot het gesmolten was haalde ik de laatste bonen uit hun peulen.

  1. Hoewel ik online alleen maar behoorlijk dure kaarsjes-zonder-cup vond, van soja of van echte bijenwas. Dat was niet direct de bedoeling… toch dan maar alles zelf maken? Ik zoek nog even door. ↩︎

Brood

Elf jaar geleden heb ik me een tijd bezig gehouden met het in leven houden van een zuurdesemstarter en het bakken van brood. Leuk om te doen! Ik wilde graag “alles” zelf maken, ook het dagelijks brood. Dat bleek toch best lastig in de praktijk, het bakken van een zuurdesembrood is een proces dat ongeveer een dag duurt (als je al een actieve starter hebt). Niet dat je de hele dag ermee bezig bent maar op gezette tijden moet je je met het deeg bemoeien. Lastig om dat tussen een fulltime werkweek in te plannen, nog lastiger om een weekeind-dag te offeren aan de bakkerij. Maar het grootste bezwaar vond ik dat ik de oven moest opstoken tot 240 graden en dat dat ongeveer net zoveel kostte als een brood uit een goede bakkerij. Het alles zelf maken moet ook wel een soort van zinvol zijn.

Fast forward naar nu, er zijn wel een paar dingen veranderd. Ik werk minder uren per week, dus de tijdkwestie is niet zo’n probleem meer. Het -inderdaad heerlijke- brood van onze bakkerij is meer dan twee keer zo duur geworden. Alle begrip voor de bakker overigens, het is haar niet kwalijk te nemen dat ongeveer alles duurder wordt. Op ons dak liggen zonnepanelen, die helpen met de energie voor die warme oven. En brood bakken blijft leuk om te doen, dat weegt ook mee. Dus nu fiets ik weer regelmatig naar de molen hier in de stad om meel te kopen, en in een potje in de keuken woont weer een bubbelende kolonie gistcellen. “Alles” zelf maken gaat niet lukken maar ongeveer de helft, dat is prima.