Koud!

Ik ben twee weken vrij en had me plechtig voorgenomen élke dag van deze twee weken een paar uur tuinwerk te doen, weer of geen weer. Er is genoeg te doen in de winter; er moeten wilgen geknot, er moet compost gekruid, de kas moet leeg en schoon. Met mijn stoere “weer of geen weer” had ik gedacht aan regen en wind, maar nu is het een strakblauwe hemel, de zon schijnt en het is stevig onder het vriespunt. Alle vier onze watervaten zijn veranderd in ijsblokken, dat is niet de bedoeling, met een beetje pech gaan ze stuk… maar nu kan ik er niets meer aan doen. De inhoud van de compostbak is keihard bevroren, dus die moet ook wachten. Na aanvankelijk bibberend rondstampen kreeg ik het toch warm van het zagen van kachelhout en werd ik vrolijk van het zonnetje op mijn bol muts. Morgen weer.

De winter heeft ook zo zijn mooie kanten.

Misschien niet zo’n goed idee als het lijkt

De eerste week van het jaar liggen op straat heel wat afgedankte kerstbomen, de gemeente voert die af. Ik weet niet precies wat ze er mee doen. Vroeger, toen ik nog een klein Lieseke was, sleepten we de afgedankte kerstbomen naar de parkeerplaats bij de speeltuin en werd er op 6 januari (onder toeziend oog van de brandweer) een groot driekoningenvuur van gestookt. Tijden veranderen.

Vorig jaar nam ik er eentje mee naar de tuin, ik knipte de takken klein en stopte de stukjes in een grote zwarte plastic zak. Die zak zette ik in een achterafhoekje. De theorie is dat zo’n zak met dennenboomstukjes een soort van snelkookpan is waar in een jaar tijd prachtige compost in ontstaat, bijzonder geschikt voor blauwe bessenstruiken. Ik vind (nu ik niet zo klein meer ben) het afzagen van dennenboompjes voor kerst toch wat zonde, en zo komt er nog iets goeds uit voort.

De theorie klopte, de compost zag er best prima uit, het ligt al rond de blauwe bessen. Maar toen de kerstbomen van dit jaar op straat verschenen vertelde Echtgenoot Yep dat alle kerstbomen -tenminste de bomen die afgezaagd verkocht worden- óók een degelijke behandeling met een brandwerend middel krijgen. Op zich niet onverstandig natuurlijk… je wil geen driekoningenvuur in je huiskamer. Maar ik weet niet wat dat voor middel is, en of dat wel een goed bestanddeel is in mijn compost. Hm. Eerst maar even uitzoeken.

Later toegevoegd: Ik won informatie in bij een bevriende brandpreventie-specialist. Het brandwerende middel verdwijnt met een stevige regenbui en het breekt in korte tijd af. Kerstbomen composteren kan prima. Jammer genoeg liggen er nu geen meer op straat… nu ja. Volgend jaar dan maar weer.

Winterwerk

Vandaag, na een familiebezoekje gingen we nog even naar de tuin en legden karton en compost op het gras rondom de stammetjes van een paar fruitbomen. Het vel karton verteert langzaam, de voedingsstoffen uit de compost sijpelen er langzaam doorheen naar de wortels. En de zwarte compost zorgt ervoor de dat boomspiegel net iets warmer blijft als het wat kouder is. Ik maakte geen foto, maar het is een fijne gedachte dat we -tot nu toe- elke dag van 2024 naar de tuin zijn geweest. 🙂

Aan de datum

Het is een bekende reclametruc: alles moet weg! Koop nu voordat het te laat is. Zeker bij eten is dat een sterke, want een strandjurk kun je volgende zomer ook nog wel aan, maar eten dat zogezegd aan de datum is gaat verloren. Nu denk ik wel dat het in veel gevallen meer een verkoop-argument is dan een feitelijk bijna-bederven… zelfs op de verpakking van zout wordt een houdbaarheidsdatum afgedrukt. Maar toch, bij verse producten is het een ding. Er zijn apps waarmee je voor een zacht prijsje boodschappen kunt ophalen bij de supermarkt die een dag later weg hadden gemoeten. Goed idee! Ik maak er regelmatig gebruik van. Want ik ben èrg gevoelig voor “koop nu anders moet het weg”.

Dat bleek ook toen ik eind juni een mailtje kreeg van de Leukste Winkel van Nederland. Voor een paar tientjes kon je een pakket pootgoed ophalen dat niet tot 2024 kon worden bewaard. Late aardappels, nog wat bolgewas, bloemen… En allemaal nu-of-nooit, want het plantseizoen was eigenlijk al klaar. Echtgenoot Yep ging het ophalen met een tas, maar hij kreeg drie kratten mee. Er waren pootaardappels genoeg voor drie keer onze tuin, honderden plantuitjes, en ook bloemen.

Voor ons nieuw was de voodoo-lelie. Die deed het best goed in onze tuin, maar bloeien heeft ze niet meer gedaan. Wellicht volgend jaar, maar de plant is ook zonder bloei mooi. Ook een dahlia kwam nog op, maar bloeide niet. De andere bloemen -bollen en knollen- hebben zich nadat we ze geplant hebben niet meer laten zien.

De pootuitjes (lang niet allemaal natuurlijk) die we plantten in onze achtertuin schoten wortel en groeiden een half centimetertje. Daar bleef het bij. We hebben bedacht dat we ze laten staan om te kijken of ze volgend voorjaar nog doorgroeien, maar de katten van de buren vinden het ook erg leuk om ze op te graven.

En van al die honderden pootaardappeltjes wisten we er een stuk of veertig te planten, de rest verdween helaas toch in de groenbak. De veertig plantjes leverden misschien veertig aardappelen op. Kortom, het nu-of-nooit pakket was geen succesvolle aankoop, en ook niet zo’n doordachte.

Met één pootaardappeltje deed ik een experiment, gebaseerd op deze techniek . Ik plantte het in een hoge pot, en twee keer bedekte ik het plantje met een laag aarde als het een centimeter of wat boven de grond was.

Vandaag haalde ik de hoge pot leeg, en zowaar, dit was wel een klein succes te noemen. Ik vond geen heel grote aardappels, maar wel een behoorlijk aantal.

De verdwenen olifant

Al zeker twaalf jaar kampeerden wij met onze beige tunneltent, die door de fabrikant was voorzien van de exotische naam “wildebeast dangare”. Zo wild was hij echter helemaal niet, het was een degelijke katoenen tent waarin het elke vakantie weer geweldig lekker slapen was. In mijn ogen had hij meer van een vriendelijke slapende olifant.

Onze afgelopen vakantie bestond uit een paar nachten kamperen, een weekje appartement in Marseille gevolgd door weer wat kamperen. Helaas besloten enkele onverlaten in de loop van die week in Marseille een ruitje van onze auto in te slaan en de tent er uit te stelen. We wisten natuurlijk wel van de reputatie van de stad als het op criminaliteit aankomt. En hier en daar zie je tekenen van dakloosheid en echte armoede, maar een oude, loodzware tent lijkt toch een artikel dat minder makkelijk te verpatsen is op een straathoek.

Alle plannen veranderden: We moesten langer in Marseille blijven om te wachten op de reparatie van het autoruitje. Tijdens ons verlengde verblijf begon net het wereldkampioenschap rugby, (een Heel Groot Ding, zo bleek) en dat was wel weer erg leuk. Het rugbypubliek, voor een groot deel bestaande uit Heel Grote Mannen bleek gezellig en sportief. Maar toen onze auto de weg weer op mocht hadden we natuurlijk geen tent om in te slapen… We losten het heel elegant op: we huurden een volledig ingerichte tent. Glamping zoals dat heet. Dat was ook best fijn, echte bedden, een koelkast… de camping had een royaal bemeten zwembad, een sauna, en…

een serieuze bibliotheek

Na thuiskomst deden we enig onderzoek en besloten we dat we eigenlijk dezelfde tent weer terug wilden. Klein probleem was dat de Wildebeast Dangare niet meer gemaakt wordt. Maar via Marktplaats vonden we er eentje die nog bijna niet gebruikt is, dus die schaften we aan. We waren heel wat vakantietijd kwijt aan het gedoe, en best nogal wat geld ook. Ik troost me maar met de gedachte dat onze oude olifant nu een paar van die dakloze mensen droog houdt.

Sprookjesachtig

Het Rotterdams Philharmonisch speelt een paar keer per jaar een voorstelling voor “4 plus” oftewel, erg jong publiek. Er zijn voorafgaand aan het concert activiteiten voor de kinderen, de drankjes en de duur van het concert zijn aangepast, en het verhaal van de muziek wordt uitgebeeld en verteld.

Zo luisterden en keken wij gisteren met Kleindochter K. (zes jaar inmiddels) en haar ouders naar Tchaikovsky’s Doornroosje. Het verhaal werd verteld door een kamermeisje van het kasteel, er was schimmenspel en dans. Zelfs het hele orkest viel in slaap toen Doornroosje zich prikte, maar gelukkig kon het publiek ze snel weer wakker roepen. Mooi dat een prinses net zo welkom was als een prins om de Schone Slaapster wakker te kussen! Kleindochter K. keek ademloos toe, ondertussen stijf mijn hand vasthoudend. Wat een leuke middag.

Kantklossen

Mijn moeder deed aan kantklossen. Ze had een speciaal tafeltje ervoor, dat mijn vader voor haar getimmerd had. Ik herinner me vooral het geluid van de klosjes, en hoe boeiend ik het vond, al die draadjes die doorelkaar gevlochten iets moois vormden. Ik stond als kleuter vaak tegen haar knie geleund te kijken. Natuurlijk leerde ze het me ook, toen ik wat groter was. Zo omstreeks mijn twintigste gaf ik zelf een tijd beginnerscursus in het buurthuis, met halve wasknijpers als klosjes en plaatjes piepschuim met een lapje er om heen die als kussen moesten dienen. Gezellig was dat! Daarna kwam het leven in de weg lopen: een baan, een gezin, drukte… Geen tijd en geen rust. Ik verkocht mijn klosjes in een vlaag van verstandsverbijstering en geldnood en ik ging nuttige handwerken beoefenen: kinderbroeken naaien, mutsen breien, grote pannen soep koken en van die dingen meer.

Toch speet het me wel. Kantklossen is écht leuk, ik hield altijd zo’n gedachte van “misschien ooit nog eens” in mijn hoofd. Dus toen ik via-via een complete set kantklosspullen kon aanschaffen voor een heel zacht prijsje hapte ik toe. Maar ik had nog steeds geen tijd, geen tijd (en geen rust ervoor) dus ik zette het zaakje op zolder en keek er wederom jaren niet naar om. Op een koninginnedag-vrijmarkt scoorde ik een stapel kantklosboeken met patronen, maar ook die verdwenen in de kast en kregen geen aandacht. Een paar weken geleden kwam ik het hele spul tegen op zolder, en besloot het eens wat beter te bekijken.

Op een van de kussens zat een half afgeklost hartenkantje in lila garen. Ik keek er nog eens beter naar en dacht dat ik het misschien nog wel zou kunnen…. Linnenslag, netslag, hoe zat het ook weer met de rand? Nu ja, heel raar: toen bleek er ineens wél tijd voor te zijn. En de rust kwam vanzelf met het geluid van de klosjes.

Terug

We gingen op vakantie. Eerst kampeerden we een dag of wat op een oud, vertrouwd adres aan de Middellandse Zee. In 2018 waren we daar voor het laatst geweest, het was leuk om te zien dat er niet zo veel veranderd was. Daarna brachten we een week door in Marseille, samen met Dochter en haar meneer. Terwijl we daar waren gebeurde er van allerlei onvoorziens, maar daarover later meer.

Het weer was heerlijk (en het eten ook), de zee was blauw en Marseille is een geweldige stad.

Eieren

In Mei leggen alle vogels een ei, alleen onze kippen niet, die leggen er niet één maar twintig. Per kip, verdeeld over de hele maand. En geen kleine eitjes: de dames zijn in topvorm!

Ik had een mandje waarin ik ooit eens een primula en wat blauwe druifjes cadeau kreeg, met pasen. Daarin bewaren we de eieren, maar met dit team op volle productie is het mandje te klein.

En dan is een mens gezegend met écht lieve vrienden: Yvonne borduurde voor mij een kleedje, voor in een eiermandje. Kijk nou toch wat leuk! Ik haalde bij de kringloopwinkel een mandje waarin het kleedje tot zijn recht komt, én waar meer eieren in passen dan in het primulamandje.

Ik vind het wel een beetje zonde van dat mooie borduurwerk om er de eieren op te leggen. De eieren zijn niet altijd helemaal schoon, als het regent zitten er weleens moddervegen op. Maar als je eieren wast komt dat de houdbaarheid niet ten goede. Gelukkig is de achterkant van het kleedje ook helemaal in thema. Dank je wel, wat een leuk, lief cadeau!

Een simpele oplossing

Elk jaar weer zaai ik tientallen gewassen voor, in potjes die dan op de vensterbank staan. Ze krijgen dagelijks een neveltje water, zon en warmte genoeg en ze worden bemoedigend toegesproken. Werkt prachtig, maar elk jaar weer is het een gedoe om alle verschillende potjes en soorten van elkaar te onderscheiden. Ik plakte etiketjes op de potjes, maar dat was niet praktisch, want na drie weken verhuizen de meeste plantjes naar een grotere pot, naar de kas of naar de “volle grond” in de volkstuin, waar ik ze dan nog steeds van elkaar wil onderscheiden. Ik kocht van die dure labeltjes van bamboe waar ik met potlood op schreef, maar dat was vaak al snel niet meer leesbaar. Er zijn ook plastic labeltjes, maar plastic, dat doen we dus niet.

Ik knipte strookjes van lege melkpakken en schreef er op met stift, dat ging eigenlijk nog het beste… hoewel die ook na zes weken half gecomposteerd waren. Een vriendin suggereerde mooie keitjes wit te schilderen, te beschrijven en die bij de rijtjes gewas te leggen. Dat is een leuk idee voor in de tuin maar ik zie nog geen achtendertig keitjes op mijn toch al overbevolkte vensterbank. (En ik vrees dat onze grasmaaier een keer desastreus in botsing komt met zo’n steen)

Een andere vriendin maakte bordjes van watervast triplex en beschilderde die met schoolbordverf, waar dan weer de naam van de plant in kwestie met krijt op kwam. Ook leuk, dat geeft een soort van botanische-tuin-sfeer. Ik moet haar nog eens vragen of het krijt er niet af regent, maar ook dat is wat te groot, niet praktisch voor mijn doel.

Tot ik ergens (waar weet ik niet meer) dit lumineuze idee tegenkwam: schelpen! En dan met name mesheften. We wonen vlak bij zee, we hebben een overvloed aan mesheften voor het oprapen op de stranden, ze zijn precies van het goede formaat, vochtbestendig en prachtig wit van binnen. Wat er met een dunne marker op geschreven is gaat er niet meer af: helemaal goed. Kleindochter K. zocht een zak vol bij elkaar voor me, ik spoelde het zand er af en nam er meteen een stuk of twintig in gebruik.