Monthly Archives: November 2018

De complete spinazie-oogst

Spinazie is een gewas dat in onze volkstuin niet best wil. We hebben nogal arme, zanderige grond en spinazie houdt nu juist van nitraatrijke, dik bemeste aarde. Elk jaar proberen we het wel een keer: we voegen gedroogde koemestkorrels toe, of mest van onze eigen kippen en de spinaziezaadjes komen voortvarend op. Maar ergens gaat het altijd mis: voor het malse blaadjes zijn stopt het met groeien. Dit jaar zaaide ik in het najaar twee rijtjes van ongeveer een meter lang op het veld waar ik eerder dit jaar een ongeloofwaardige hoeveelheid enorm grote aardappelen oogstte. Dat stukje grond was enkele tientallen jaren niet bebouwd geweest, dat zal het geheim van de superoogst zijn geweest. Ik hoopte dat de magie nog niet helemaal was uitgewerkt, dat het ook nog zou werken voor spinazie.

En dat klopte. Er kwam een kleine kilo van mijn twee rijtjes af. Eindelijk! Maar ja, spinazie… na het wegwassen van alle modder die er op zat bleef er een pond over. Na het roerbakken was er precies genoeg voor dit kleine taartje: vier happen per persoon. Dat smaakte werkelijk heerlijk!

Vier films en een tv-serie

Als ik naar de film ga neem ik een breiwerk mee, maar niet iets moeilijks.

Deze sjaal was erg geschikt voor de bioscoop: recht gebreid met elke tweede naald één steek minderen aan de ene kant en twee meerderen aan de andere. Dat maakt een interessant model van een langgerekte driehoek, en je kunt dóórbreien tot het garen op is. Erg geschikt voor een van mijn vele bollen sokkengaren dus! Ik koos een bijna effen blauwe en breide tijdens A Star is Born en tijdens Wad, ik zag Van verlies kun je niet betalen en een documentaire over Maria Callas. Thuis keek ik naar De Kijk van Koolhoven, wat ik film genoeg vond voor de filmsjaal, en toen was het garen op ook. Maar ik vond ik de sjaal nog wat te klein, dus zocht ik er een restje wit sokkengaren bij en maakte er -bij daglicht- een kantrand langs.

Toen leek het er meer op. Eergisteren blockte ik de sjaal. Dat is toch een beetje toveren, je begint met iets dat het meest op een pak noedels lijkt en eindigt met een glorieuze kanten rand.

Waarna je een heel bruikbaar accessoire hebt.

 

Lekker oefenen

Begin december zijn we uitgenodigd voor een etentje. De gastvrouw is een prima kok, want voor acht mensen een meergangendiner bereiden -zoals ze al vaker deed- is echt een hele klus! Een mooi cadeautje is dus op zijn plaats, maar wat nemen we voor haar mee in zo’n geval? Mooie bloemen of een fles goede wijn? Bonbons?  Ik heb een alternatief plan, ik maak gebruik van de gelegenheid om weer eens een echt mooi taartje te maken, als dessert voor het diner. Daarmee kan ik me weer eens fijn uitleven; ik vind het zo leuk om te doen! Ik maak niet vaak taart, want als je een taart bakt moet ie ook worden opgegeten en dat is gewoon teveel voor Echtgenoot Yep en mij. Win-win-win situatie dus! Ik mag heerlijk patisserietje spelen, ik heb een mooi cadeautje voor de gastvrouw en de anderen zullen  -hopelijk met genoegen- helpen met de verwerking van de calorieën.

Ik maakte dit kleine exemplaar om te oefenen. Met de rode glimmende toplaag (gemaakt van gesmolten bessengelei, met een scheutje rode port) maar vooral met de chocoladegarnering. Het oefentaartje zelf is een halve  monchou taart uit een doos, daar wilde ik niet teveel werk aan besteden. De chocolade smolt ik en deed ik in een spuitzakje, waarmee ik zigzaglijnen over elkaar maakte op een strook acetaatfolie. Toen dat wat was afgekoeld plakte ik de strook rondom mijn taartje en zette het hele spul in de koelkast. Na een uurtje kon het folie worden verwijderd en bleef er een kant-achtig chocoladerandje over. Ik rolde ook een stukje folie op tot een hoorntje voor de garnering. Dat ga ik met de uiteindelijke versie ook doen, het ziet er geweldig uit. Geslaagd experiment! En nu moet het proeftaartje natuurlijk op. Echtgenoot Yep at al taart als ontbijt, mijn collega ontfermt zich over een stukje. Ikzelf at een hapje van het middengedeelte, ik houd niet zo van chocolade. Ik heb tijdens mijn baantjes als jeugdige vakantiewerker bij de Droste fabriek in de jaren ’70 genoeg chocolade gegeten voor de rest van mijn leven. In de ketel gevallen, zeg maar… Met neiging tot het bijpassende figuur, helaas.

B*gger!

Uit Parijs nam ik ook nog een wit overhemdstofje mee. Het was het duurste lapje van de hele winkeltrip, maar oh, wat is het een mooi materiaal. Het is op de keper geweven, van een héél fijne draad. Daardoor is het volkomen ondoorzichtig, maar glad en zo dun en licht als elfenvleugeltjes, met een zachte glans. Ik kocht er speciaal garen bij om het door te stikken, een soort borduurgaren dat ook zo’n glans heeft.

Het bleek niet bepaald een makkelijk stofje. Het rafelde alsof het zijn bestaan als weefsel zo snel mogelijk weer ongedaan wilde maken en het wilde op geen enkele manier met me meewerken. Ik maakte er een rechte vouw in en perste die met de strijkbout en een vochtige doek in de stof. Dan pakte ik het werkstuk van de strijkplank en bleek mijn rechte vouw een golvende te zijn. Ik neem aan dat de keperbinding dat probleem veroorzaakt, dat moet ik eens met een deskundige bespreken. De kraag maken was een werk van zeer lange adem, ik was uiteindelijk blij dat ik wat ruim heb ingekocht want er zijn vier versies van de kraag gemaakt voor ik tevreden was. Na veel geworstel en gebruik van taal die een dame onwaardig is had ik dan toch een werkelijk prachtig overhemd gemaakt. Ik waste het nog even liefdevol en streek het zéér zorgvuldig voor ik het met tromgeroffel en gepaste trots aan de Echtgenoot overhandigde.

En pas toen bleek…. dat ik de knopen en knoopsgaten aan de verkeerde kant heb gezet. (Denk hier nog een rijtje onbeschaafde krachttermen) (en nog een paar) (met uitroeptekens). Yep lacht me op deze foto vrolijk toe* en verklaarde zich zelfs bereid het shirt op deze manier te gaan dragen. (Hij is een héél goede Echtgenoot, dat blijkt maar weer). Dat kan natuurlijk niet, dat staat mijn beroepstrots niet toe. Maar het shirt moet eerst een maandje in de kast. Ik weet niet of het veilig is als ik ermee alleen gelaten wordt.

*of zou hij me stiekem tóch uitlachen?

Een logé, een opruimactie en een record

Vorige week kwam Kleindochter K. voor het eerst een nachtje logeren.

Dat was erg gezellig! Het was fijn dat ze haar loopfietsje ook mee had. Ze ontwikkelt hoge snelheden ermee door met twee beentjes tegelijk af te zetten. We gingen naar de speeltuin op de hoek, we stopten walnoten in een grote vaas, we lazen boekjes en aten wokkeltjespasta. Zondag kwamen haar moeder en vader haar weer halen. Ze mag nog wel eens komen logeren, vonden we.

In de volkstuin heeft, net als in de rest van het land, de buxusmot toegeslagen. We hebben hadden twee haagjes van vier struikjes aan weerszijden van de composthoop. Daarvan heb ik vandaag de overblijfselen verwijderd. Eigenlijk niet zo erg, ik vind ze -ook zonder buxusmot- niet zo mooi.  Als je er geen Versailles-tuin bij hebt is een buxushaagje gewoon wat saai.

Er was ook blad te harken. Ik heb het allemaal naar één veldje gebracht, in de hoop dat de wat arme grond daar door het verteren van al dat blad wat humeuzer wordt. Het was zonnig najaarsweer, maar wel te fris om een uurtje te zitten. En zo krijg je heel productieve tuindagen.

Afgelopen maand passeerde ik nog een klein mijlpaaltje: voor het eerst sinds dit blog bestaat, bijna acht jaar, waren er meer dan 10000 bezoekers in één maand. Wat een hoop! Natuurlijk is dat inclusief een aantal commentspammers en dergelijke, er weten er elke dag wel een paar langs mijn beveiliging te komen. Maar toch. Tienduizend!  Ik schrijf het blog niet met het doel er beroemd mee te worden of zo, dan ging ik wel likes verzamelen op sociale media. Ik vind het erg leuk dat zoveel mensen het kennelijk met genoegen lezen. Dank jullie wel!