Nog meer warmte

Er ligt een pak sneeuw. Het was al aan het smelten en het was geen slecht weer, we waren allebei vrij vandaag dus we gingen naar de tuin. In de tuin werken bij koud weer is geen probleem, deze tijd van het jaar zijn er veel klussen waar je het vanzelf wel warm van krijgt. Wilgen knotten, brandhout zagen, (we hebben geen kettingzaag of zo, we doen het allemaal met de hand) blad harken, compost kruien. Het is zaak een muts en goede handschoenen te dragen. Het enige probleem was -tot vandaag- dat ik altijd koude voeten krijg in mijn groene rubberen regenlaarzen. Zelfs met twee paar sokken over elkaar heb ik na een uurtje of twee geen gevoel meer in mijn tenen en ben ik door en door koud.

Echtgenoot Yep overtuigde me om nu eens gewoon echt goede warme werklaarzen te kopen. Dat deed ik, en de hele middag, rondstampend in de sneeuw, had ik het niet koud en had ik warme voeten. Wát een goede aankoop! En ik vind ze nog leuk ook.

Warme thee

Het idee kwam van K:)dootje die een voedseldroger aanschafte en daar allerlei experimenten mee deed: Gemberthee. Natuurlijk had ik al een paar keer munt gedroogd om thee mee te maken, dat kwam dan vooral voort uit plotseling veel munt na een snoeibeurt van de plant in de tuin. Maar veel verder had ik niet nagedacht over deze mogelijkheid. Raar eigenlijk! Ik was wel blij met K:)dootjes frisse blik.

Gemberthee zoals je het in de horeca krijgt bestaat uit een beker heet water met wat plakjes verse gemberwortel. Ik vind het lekker, maar wel wat tam. De plakjes gember geven natuurlijk alleen wat smaak af aan het snijvlak, het is een nogal compacte wortel.

Meer snijvlak, dus! Ik schaafde een stuk verse gemberwortel in heel dunne plakjes en droogde die tot ze knisperig waren. En dat was andere koek. Eeh, thee. Niks tam gemberwatertje, maar heerlijke verwarmende thee, in meerdere betekenissen van het woord. En daarbij: met het stuk wortel dat ik droogde zou ik op de horecamanier misschien drie koppen thee kunnen maken. De stand staat nu op zes, en op de foto zie je de rest: genoeg gemberkrullen voor nog minstens zes keer thee.

Wat je ver haalt

In een boek van Nancy Birtwhistle vond ik een recept voor iets dat zij “lining paste” noemt. (Ik zou dat vertalen met bakvormpasta.) Het is een mengseltje dat je met een kwastje aanbrengt in een bakvorm in plaats van boter of spray of bakpapier. Wat je daarna in die vorm bakt komt probleemloos en mooi bruingebakken los. Vooral bij tulbandvormen is zoiets héél prettig. Wat een goed idee, dat wilde ik maken! Voor mezelf, maar ook als cadeautje voor een paar mede-bakkers. Eén van de ingredienten is “shortening”, iets dat wij hier in Nederland niet kennen, het is een soort margarine. Een goed voorbeeld van shortening, zo leerde ik, is Crisco.

Dat had ik wel eens op de buitenland-afdeling van de Jumbo gezien, tussen de reeses peanutbuttercups en de marshmellow-boterhampasta. Maar toen ik naar de supermarkt ging vond ik het daar niet meer. Ik zocht nog in twee of drie andere winkels, maar helaas. Toen K:)dootje en haar meneer naar Engeland gingen vroeg ik hen om voor mij uit te kijken of het daar te koop was, maar ze hadden geen succes. Ik maakte bij wijze van experiment bakvormpasta met ghee, dat werkte wel goed maar ik vond ‘t niet heel lekker ruiken.

Enkele weken geleden liep ik rond in de toko, 50 meter vanaf mijn werk gelegen, en ziedaar! stond er gewoon een stapel van. Nouja! Overal gezocht en het was zo ongeveer bij de buren te vinden! Ik kocht een blik, maakte er bakvormpasta mee, deed het in decoratieve potjes en deelde uit. Het werkt echt prima, alle taarten, koekjes en cake komen onbeschadigd en smakelijk gekleurd uit de bakvorm.

Maar, nu komt de maar, pas daarna ontdekte ik dat Crisco helemaal niet zulk prettig materiaal is. Het is geruime tijd van de markt geweest omdat het kunstmatige transvetten bevatte. Nu niet meer, maar in zijn geheel is het een nogal onnatuurlijk product en kennelijk wordt het ook voor heel andere toepassingen dan eten gebruikt. Het is jarenlang houdbaar, dat vind ik op zich al wat verdacht. Bakvormpasta blijft een heel goed idee, maar ik zoek nog even door naar een goed, wat gezonder en duurzamer alternatief voor deze shortening. Ideeën zijn welkom!

Lichtjes

In onze huiskamer branden een stuk of tien kaarsjes. Als het donker is en wij thuis zijn tenminste. Waxinelichtjes in een aluminium cupje en dat weer in een gezellig gekleurd glaasje. In de cupjes blijft altijd een randje kaarsvet over, dat ik er uit peuter en bewaar.

De lege cupjes weet ik niets anders mee te doen dan weggooien. Aluminium kost een hoop om te produceren, en met een stuk of 20 kaarsjes per week maak ik toch behoorlijk wat afval. Hoewel ze in de PMD bak mogen is het toch nogal overbodig… dat moet anders kunnen.

Bij leven zonder afval verkoopt men die cupjes van staal, een steviger en houdbaarder materiaal. Ook zijn er “blote” waxinelichtjes te koop1, daarmee kunnen we het zonder aluminium. Een kleine investering, maar beduidend minder afval in de loop van de tijd.

Om te beginnen kocht ik ook nog wat passende lontjes en maakte van mijn restjes kaarsvet weer nieuwe waxinelichtjes. Terwijl ik stond te wachten tot het gesmolten was haalde ik de laatste bonen uit hun peulen.

  1. Hoewel ik online alleen maar behoorlijk dure kaarsjes-zonder-cup vond, van soja of van echte bijenwas. Dat was niet direct de bedoeling… toch dan maar alles zelf maken? Ik zoek nog even door. ↩︎

Brood

Elf jaar geleden heb ik me een tijd bezig gehouden met het in leven houden van een zuurdesemstarter en het bakken van brood. Leuk om te doen! Ik wilde graag “alles” zelf maken, ook het dagelijks brood. Dat bleek toch best lastig in de praktijk, het bakken van een zuurdesembrood is een proces dat ongeveer een dag duurt (als je al een actieve starter hebt). Niet dat je de hele dag ermee bezig bent maar op gezette tijden moet je je met het deeg bemoeien. Lastig om dat tussen een fulltime werkweek in te plannen, nog lastiger om een weekeind-dag te offeren aan de bakkerij. Maar het grootste bezwaar vond ik dat ik de oven moest opstoken tot 240 graden en dat dat ongeveer net zoveel kostte als een brood uit een goede bakkerij. Het alles zelf maken moet ook wel een soort van zinvol zijn.

Fast forward naar nu, er zijn wel een paar dingen veranderd. Ik werk minder uren per week, dus de tijdkwestie is niet zo’n probleem meer. Het -inderdaad heerlijke- brood van onze bakkerij is meer dan twee keer zo duur geworden. Alle begrip voor de bakker overigens, het is haar niet kwalijk te nemen dat ongeveer alles duurder wordt. Op ons dak liggen zonnepanelen, die helpen met de energie voor die warme oven. En brood bakken blijft leuk om te doen, dat weegt ook mee. Dus nu fiets ik weer regelmatig naar de molen hier in de stad om meel te kopen, en in een potje in de keuken woont weer een bubbelende kolonie gistcellen. “Alles” zelf maken gaat niet lukken maar ongeveer de helft, dat is prima.

Gehakt

In Engeland eet men zo rondom de kerst mince pies. Een soort van gevulde koek, maar dan met zogenaamd mince meat er in. Verwarrende naam, het is een jam-achtig zoet mengeltje van rozijnen en citrus en nog wat specerijen, noten en eventueel wat alcoholisch spul en niervet. Geen gehakt, maar ook niet helemaal vegetarisch dus. Rare jongens, die Britten! Maargoed, ik was er wel nieuwsgierig naar, dus toen Dochter vorig jaar naar Schotland ging vroeg ik haar of ze voor mij een potje van die mincemeat wilde meenemen, Groot of klein, vroeg ze nog… Bescheidenheid is geen deugd van mij, dus kreeg ik bij wijze van kerstkado anderhalve kilo van het spul van haar.

Met de kerst wéér in aantocht werd het tijd voor actie. Ik maakte een deegje, rolde dat uit en maakte gebruik van een muffinvorm om er de taartjes mee te maken.

Lekker knutselen was dat. Ik vroor er een heel aantal ongebakken in, ze kunnen meteen vanuit de vriezer de oven in en dan heb je twintig minuten later een behoorlijk imposant koekje bij de thee. Een heel praktisch idee, dat ik -samen met het recept voor het deeg- van Nancy Birtwhistle heb.

Maar natuurlijk bakte ik er ook een paar meteen af. Lekker zeg!

J.C. Bloem had vast geen tuin

Het ijs stond op de plassen, maar we moesten naar de tuin. Met warme dranken in de tas en twee paar sokken over elkaar aan mijn voeten fietste ik over de dijk, toen de eerste druppels vielen. Het regent en het is November, geheel volgens het gedicht van J.C. Bloem dat ik minstens één keer per jaar wel vol pathos declameer. (Hoewel Huub van der Lubbe het echt veel mooier kan)

In de Datsja had Echtgenoot Yep al een vuurtje in de kachel aan. Gehuld in een oude regenjas haalde ik de dahliaknollen uit de grond, en met de regen tikkend op mijn capuchon plukte ik de laatste bonen. Yep maakte de boomspiegels van de zomerpeer en de pruimenboom schoon en gaf ze mest. Tussen de bedrijven door dronken we koffie en warmden op in het huisje.

De overburen -jonge dropneusrunderen- stonden het allemaal met belangstelling te bekijken. Na een uurtje of twee trokken we met doorweekte broekspijpen maar met rode wangen weer naar huis.

Monomanie heeft ook zijn charmes

Net als van het maken van overhemden hou ik ook van het maken van babyrompertjes. Ook daarvoor gebruik ik steeds hetzelfde patroon, maar ik gebruik tricot in allerlei verschillende kleurtjes en prints. En in tegenstelling tot mijn overhemdenfabriekje is het natuurlijk niet steeds voor dezelfde persoon. Het is een heel geschikt kraamcadeautje.

Vanmorgen maakte ik er eentje voor de baby van een collega, hoewel de spruit in kwestie tot Maart waarschijnlijk nog geen kleren nodig zal hebben.

Een doorlopend project

In 2015 maakte ik voor de eerste keer een “echt” overhemd voor Echtgenoot Yep. Dat is tien jaar geleden, best een hele tijd en toch voelt het overhemden maken als iets wat ik nog maar kort doe. Raar is dat!

Deze bijna-zwarte rolde vandaag van de machine. Meer bedoeld als vrijetijds-kleding, een beetje jeansachtig, gemaakt van wat stevigere katoen. De stof kwam mee uit Parijs, van Tissus Reine, wat is dat toch een fijne winkel.

Toen ik kort geleden wat opruimde in de kast keek ik eens in de doos waarin ik van elk overhemd de restjes stof heb bewaard. Ik heb het idee dat ik daar ooit eens een quilt of iets dergelijks van kan maken, (en stof gooi je NOOIT weg) dus ik bewaar de afknipseltjes. Stof van eenentwintig overhemden zat daarin. Natuurlijk heb ik voor lang niet allemaal een postje hier geplaatst, dat zou snel saai zijn… maar ik vond het heel wat.

Na het doorkijken van die doos overhemden-geschiedenis besloot ik de exemplaren die ik vanaf nu maak te dateren, met maand en jaar aan de binnenkant onderaan de knopenbies. Misschien voelt het dan minder als één doorlopend overhemd-project. Begrijp me niet verkeerd, ik vind het geweldig leuk om ze te maken, de volgende ligt alweer geknipt (van in Londen aangeschaft tana lawn). En bij wijze van hoge uitzonderin ga ik Schoonzoon A. van een made-to-measure shirt voorzien. Ook daarvoor ligt een Liberty-katoentje klaar.

Markt

Een of twee keer per jaar gaan wij naar Antwerpen, naar de markt. Vroeger was dat de vogeltjesmarkt, maar gelukkig mogen er geen levende dieren meer verhandeld worden, en toen werd het de Vreemdelingenmarkt. Ook wel een beetje raar, want je kon er geen vreemdeling (die verdwaald is zeker) kopen. Nu is het wederom omgedoopt, nu heet het de Exotische markt. Lang niet al het aanbod is exotisch, er is veel uit België. Zo kochten we er vandaag een kaas die Gentse Keizer heet, alleen voor de naam. Gelukkig is hij ook erg lekker.

Er zijn veel kramen met een mediterraan en midden-oosters aanbod, er zijn prachtige groenten-en-fruit uitstallingen, viskramen, een koffiebrander, sokken, messen, bloemen, brood en gebak en veel terrasjes waar een hapje en een drankje -midden op de markt dus- genuttigd kan worden.

Met tassen vol lekkers liepen we nog even naar de stadsfeestzaal, een prachtige locatie waarin -naast allemaal “gewone” winkels een heel prettige toko te vinden is, en daar werden de tassen nog wat zwaarder. Wat een leuke manier om de boodschappen te doen.