‘t Is weer voorbij…

… die mooie zomer. Het is eind oktober en nu pas daalt de temperatuur. De pompoenen zijn uit de tuin, twee aten we er zelfs al op. De winteruien en knoflook zijn geplant en afgelopen zondag maakte ik de kas leeg.

Nu ja, bijna leeg.

Ik plukte alle tomaten, rijp en groen, en verwijderde de planten. Ook de peper- en komkommerplanten gingen naar de groenbak. Nu is er alleen nog een rijtje paprika’s over. De grond in de kas moet een paar dagen “gespoeld” dat wil zeggen elke dag zes grote gieters water voor we er een groenbemestermix op kunnen zaaien voor de winter. De rijpe tomaten gingen mee naar huis, de groene liet ik liggen in de kas, in de hoop dat wat nagekomen zon ze nog doet rijpen.

Dat lijkt te lukken, toen Echtgenoot Yep er gisteravond even heen was om te gieten stuurde hij me deze wat duistere foto waarin warempel niet meer alles groen is. Al met al hebben we van twee planten (Bartelli) een imposante hoeveelheid kerstomaten kunnen plukken, de andere waren wat minder productief. Een kerstomaat die afkomstig was uit de Albert Heijn moestuintjes-actie heeft ook erg zijn best gedaan.

 

Net zoiets als fietsen

In 2008 gaf ik mezelf een workshop spinnen cadeau, om het behalen van mijn modevakschool-diploma te vieren. Echtgenoot Yep gaf me dat jaar voor mijn verjaardag een prachtig spinnewieltje en ik had er een paar topdagen mee bij Jacey Boggs. Ik leerde van haar effectgarens te maken, met sliertjes en bobbels en met verschillende materialen door elkaar gebruikt. Eenmaal thuis spon ik in één lange sessie een grote bol lontwol tot dik-dun garen.

Dat was erg leuk om te doen. Ook omdat ik het materiaal zo mooi vond (en vind), het is merinowol, in allerlei blauwen geverfd. Ik wond het op strengen en keek er verliefd naar. Maar ja. Het is ongetwijnd garen, niet prettig om mee te breien en door het dik-dun zal het beslist erg pluizen, het is niet of nauwelijks wasbaar… Het garen leek voorbestemd om levenslang te krijgen in de voorraadbox onder mijn bed, waar het motvrij en veilig lag terwijl het spinnewiel ook weinig meer te doen kreeg. De volkstuin, de kledingmakerij, allerlei andere leuke dingen drongen zich op de voorgrond.

Een jaar of wat later schafte ik, verblind door de mooie kleur een bol kobaltblauwe Lana Grossa Olympia aan. Waar was mijn verstand die dag? Olympia is pluizige wol, zo dik dat het op pennen 12 gebreid moet worden en het is ook al ongetwijnd. Alleen die kleur…zo mooi! De Olympia verdween ook in de kerker-onder-het-bed. Ik kwam het vorige week tegen toen ik er iets anders wilde verbergen.  Het lijkt warempel wel lontwol, dacht ik nog. Wacht even… het lijkt inderdaad lontwol, maar dan iets teveel gedraaid. Het spinnewieltje werd afgestoft en opgetuigd, ik bleek het nog best te kunnen, spinnen verleer je niet. Ik spon een heel stuk van de Olympia achteruit, zodat de twist er uit ging en het inderdaad dunne lontwol was. Daarna spon ik er een regelmatige, dunne draad van. Die twijnde ik met mijn -na tien jaar ook weer bevrijde- dik-en-dunne merino.

Tadaaaa! Dat werkt prachtig. Wat een mooi garen is het zo. Doordat het getwijnd is heeft het balans, de Lana Grossa is gedeeltelijk plastic (ik weet niet eens wat voor plastic, maar het zal ongetwijfeld een acrylvariant zijn) en dat brengt wat stevigheid.

Ik breide er een klein proeflapje van om te zien of ik er ideeën van kreeg, want ik heb geen idee wat met dit garen te maken.  Ik moet bekennen, ik weet het nog steeds niet. Het blijft natuurlijk onpraktisch materiaal, niet goed wasbaar en het zal nog steeds behoorlijk pluizen. Het is een lastig vraagstuk, of ik uren en uren ga besteden aan het spinnen van garen waar ik waarschijnlijk nooit wat bruikbaars van maak. Of misschien kan ik het garen als het eindproduct beschouwen. Moeilijk. In de ene hoek de calvinist, in de andere hoek de artiest, klaar voor de zoveelste ronde.

Een overhemd voor Yep

Toen ik een jaar of wat geleden een goed passend, oud overhemd van Echtgenoot Yep uit elkaar haalde en de patroondelen overnam vond ik een goed herenoverhemd maken echt een ding. Maar oefening baart kunst, inmiddels vind ik eigenlijk dat hij alleen maar door mij gemaakte overhemden zou moeten dragen. Dat gaat niet lukken vrees ik, iets met tijd en hoe ik dat besteed… Nu ja.

Dus maak ik af en toe een overhemd als een soort van tussendoortje. Niet omdat ik het makkelijk vind -hoewel ik het een stuk beter kan dan toen ik die eerste maakte- want de kraag blijft een moeilijk geval. En alle stiksels moeten natuurlijk precies evenwijdig. Het fijne van overhemden naaien is dat het zo prettig hetzelfde is. Hoewel, nooit helemaal hetzelfde, in deze uitvoering maakte ik de binnenkant van de kraag en de manchet van een contrasterend stofje.

En ik maakte een tweekleurig mouwsplit-beleg, dat pakte prima uit. De stof, een dichtgeweven poplin met een mooie zachte glans, kocht ik een paar weken geleden in Parijs. Het kreukt wat makkelijk maar de kleur is prachtig, hoewel bij lamplicht moeilijk te fotograferen.

Ik borduurde deze keer geen initialen maar zijn alias op de binnenkant van de schouderpas. Het shirt staat hem prima, en hij heeft nog niet gezien dat het rechter voorpand een halve centimeter langer is dan het linker (oeps…). Maar wat wél hetzelfde is: zijn maat. Ik gebruik nog steeds hetzelfde patroon.

Uitstapje

Om het eeuwfeest van onze volkstuinvereniging te vieren gingen we met een bus vol mensen naar de tuinbeurs op het park van Beervelde.  We hadden mooi weer, en er was véél te zien! Hoewel ik me had voorgenomen een beetje voorzichtig te doen met aankopen is dat niet best gelukt.

We kochten een blauwe bessenstruik, die inmiddels al een plekje in de tuin heeft. Een zuur plekje, want de verkoper, enkele van onze medetuinders en verder iedereen die ons met de struik zag lopen zei “denk er om, hij moet op zure grond!”  Yep haalde vier grote zakken tuinturf om het plantgat mee te vullen. En nu maar hopen op een mooie oogst.

We kochten ook wat daslook-knolletjes om te laten verwilderen onder onze grote wilgenboom. Ik hou van daslook omdat het zo lekker is en vroeg in het jaar, vóór de uitjes en bieslook, al geoogst kan worden. Ook hebben we een zak vol krokusbolletjes voor tussen het gras, goed voor het voorjaarsgevoel. We namen alliumbollen en drie kleurige dahlia’s mee, tot nu toe had ik alleen witte.

Er was een zaadhandel die voor het inrichten van de stand iemand met talent had ingehuurd, (zie rechts) maar de koopwaar was ook bijzonder. Allerlei exotische zaden maar ook geweldig veel keuze in -bijvoorbeeld- zonnebloemen. We schaften er zwart/bruine boontjes en edamame aan. En teff en quinoa en ossenhart-tomaten.

 

Over exotisch gesproken: Echtgenoot Yep viel voor een heel jong jacarandaboompje, ik ben benieuwd of we die wijs kunnen maken dat hij hier thuis hoort.

 

Niet alles wat we meenamen was tuinspul, er was ook een kraam met gerookte knoflook. Daar heb ik geen weerstand tegen. Echtgenoot Yep gaf me prachtige oorbellen. Eenmaal weer terug in Goes was er een feestelijke avond met barbecue en gezang, wat was dat een gezellige dag.

Bubbels

Als je je voorneemt om minder plastic te gebruiken kom je soms tot merkwaardige conclusies. Neem nu deze:

Douchegel en shampoo in plastic flessen willen we niet. Dus was ik mijn haar (naar grote tevredenheid) met een shampooblok en de rest van mij met een ouderwets stuk zeep. Zo’n stukje zeep wordt in gebruik kleiner en uiteindelijk lastig te hanteren. Ik had vier “restjes” van stukjes zeep en besloot daar weer vloeibare zeep van te maken, volgens het principe waarmee ik ook wasmiddel maak. Ik vond een recept voor een verhouding van 50 gram geraspte zeep en anderhalve liter kokend water. Mijn restjes waren samen 60 gram, dus ik kookte 100 ml water meer. Het ging prima, het rook heerlijk in de keuken, maar toen het een dag later was afgekoeld had ik een stuk zeep zo groot als mijn pan… niks vloeibaar! Ik voegde nog eens 400 CC kokend water toe en roerde. Het liet zich niet goed mengen, dus zette ik de staafmixer er in. Daar vergat ik een cruciale eigenschap van zeep: het schuimt! Niet te weinig! Maar na enige tijd wachten waren de meeste belletjes geknapt. Missie geslaagd, twee hele liters prima vloeibare zeep.

En pas toen bedacht ik hoe raar het is, dat 60 gram zeep voor twee (!) liter vloeibare zeep zorgt. Geen wonder dat de zeepfabrikanten geld over hadden om televisieseries te sponsoren! Je maakt zeep, je mengt het met water, het wordt 30 keer meer, je verpakt het in een plastic fles met een drupje geur en wat beauty-beloftes erbij waardoor het nog weer kostbaarder lijkt, die verkoop je voor vier keer zoveel als het oorspronkelijke stukje zeep… Kassa!

Kleine meisjes worden groot

Als kind las ik -natuurlijk-  de reeks “kleine huis” boeken. Ik leefde mee met Laura en de familie Ingalls, ik vond het vooral spannende verhalen. Helemaal begrijpen deed ik het niet, natuurlijk… dat Laura haar hoofd onder een kussen stopt als er een varken moet worden geslacht, maar zodra het dood is vrolijk gaat meehelpen met worst vullen en zelfs de krulstaart, knapperig gebraden, afkluift tot er alleen nog maar botjes zijn. Ik griezelde ervan. (Voor de duidelijkheid: ik werd vegetarisch opgevoed.) Maar ik weet nog dat ik er óók van genoot, hoe Pa ‘s avonds bij het kampvuur naast de huifkar op zijn viool speelde, van het uitgegraven huis in de oever van de rivier waar ze elke dag vis uit halen met een fuik. En hoe Ma van een knolraap en een halve emmer tarwe de heerlijkste maaltijden maakte en dat ze échte indianen zagen! Laura was stoer.

Ik heb nooit naar de televisieserie gekeken. Maar met behulp van mijn e-reader herlas ik afgelopen maand de hele serie. Behalve het feest van herkenning las ik nu ook echt heel wat anders. Hoe een sprinkhanenplaag de familie berooft van eten, drinken en vooruitzichten en Pa daarom 400 kilometer verderop werk zoekt (lopend, natuurlijk) en maanden van huis is om zijn gezin te redden. Dat die knolraap en tarwe vooral zo lekker waren omdat honger spreekwoordelijk rauwe bonen zoet maakt, en dat weken lang elke maaltijd vis eten ook geen luxe leven is. Wonen in een hol in de rivieroever. Zeven maanden strenge winter, in een houten huisje waar het alleen warm te houden is door de voorraad hooi op te stoken. Wat een hard leven, wat moesten ze inventief en volhardend zijn. Ik leefde deze keer vooral met de ouders mee. Maar Laura is nog steeds stoer.

Proefvrij koken

Uit onze kas kwamen onverwacht veel pepers. We hadden Ko Tao pepers, die geel zijn en heel erg heet, en Ko Chang die oranje zijn en gewoon erg heet. Of andersom, ik kan dat maar niet onthouden… daarbij ervaar ik bij beide pepers dezelfde sensatie als ik er in bijt (wat ik veiligheidshalve ook maar niet doe). Erg heet of heel erg heet is een nuance die ik niet kan onderscheiden.

Mooi zijn ze wel! En ik denk dat er minstens vijftig pepers van onze plantjes kwamen dus moest er sambal gemaakt. Ik kocht een stapel kleine potjes, we eten geen grote hoeveelheden sambal en als een potje eenmaal open is bederft de inhoud snel. Met handschoenen aan maakte ik de pepers schoon.

Het plan was er Sambal Badjak van te maken, vooral omdat dat heet wordt bereid (hahaha op een warmtebron bedoel ik) en het dus ook in schone hete potjes kan worden verpakt. Dat geeft de bacteriën minder kans. Een van de ingrediënten is trassie, ik denk dat de geur daarvan elke bacterie huilend naar zijn moeder jaagt… maar we nemen geen risico. Ik voegde aan het recept wel nog wat vers geraspte gember toe, gewoon omdat ik het in huis had. En ik verving de palmsuiker door rietsuiker.

En zie daar. Dertien potjes met elk 25 gram sambal, met ons consumptiepatroon genoeg voor een jaar of acht. De dekseltjes van de vijf aan de rechterkant “plopten” niet dus die wil ik liever niet te lang bewaren, het kan betekenen dat ze niet luchtdicht gesloten zijn. Toch bijzonder om iets te koken dat tijdens het koken niet geproefd kan worden. Nu ja, het kán natuurlijk wel… maar daarna proef je een heel tijdje niks meer.