J.C. Bloem had vast geen tuin

Het ijs stond op de plassen, maar we moesten naar de tuin. Met warme dranken in de tas en twee paar sokken over elkaar aan mijn voeten fietste ik over de dijk, toen de eerste druppels vielen. Het regent en het is November, geheel volgens het gedicht van J.C. Bloem dat ik minstens één keer per jaar wel vol pathos declameer. (Hoewel Huub van der Lubbe het echt veel mooier kan)

In de Datsja had Echtgenoot Yep al een vuurtje in de kachel aan. Gehuld in een oude regenjas haalde ik de dahliaknollen uit de grond, en met de regen tikkend op mijn capuchon plukte ik de laatste bonen. Yep maakte de boomspiegels van de zomerpeer en de pruimenboom schoon en gaf ze mest. Tussen de bedrijven door dronken we koffie en warmden op in het huisje.

De overburen -jonge dropneusrunderen- stonden het allemaal met belangstelling te bekijken. Na een uurtje of twee trokken we met doorweekte broekspijpen maar met rode wangen weer naar huis.